U BENT HIER Home

Oma column: Freek en Randy

Laatst waren we in Kijkduin voor een strandfeestje. Eerst had de zee de grootste aantrekkingskracht op onze kleindochter van 2 jaar. Met alles wat wij in ons hadden aan energie en zorgzaamheid wisten we haar - net op tijd - ervan te weerhouden om een frisse duik in de golven te nemen: “die mevrou mak wel”, ja maar die mevrouw kan al zwemmen en heeft een zwempak aan. Kom schat, dan gaan we weer naar het strand, een zandkasteel bouwen. Toen opeens zag ze met haar arendsogen een zuurstokkleurig speelobject in de verte. Ze had het ding helemaal voor haar alleen, dus honderd keer: trappetje op, van het miniglijbaantje af en ga zo maar door. Totdat er een ander kindje zich meldt. Een keurig jongetje met een niet te verstoren zonnig humeur.

Nou, die twee hadden het prima naar hun zin. Opa hield de wacht, om op te letten of zijn kleindochter niet onder de voet gelopen werd door die “grote” jongen. “Hoeveel jaar ben je?”, vroeg opa terloops. “Drie, maar bijna vier”, antwoordde hij. Kleindochter vond het maar niks dat we zoveel aandacht besteedden aan een wildvreemd jongetje.Toen we vroegen: “hoe heet je” en hij antwoordde met: “Freek”, zag onze kleine peuter haar kans schoon om de aandacht weer terug te krijgen: “ik ook”! En dat lukte glansrijk, we smolten ter plekke, en dan nu niet van de hitte.
Precies een week later was ik met haar in een speeltuin in Wateringse Veld. Het weer was totaal omgeslagen, het ene moment stralende zon en het andere moment een moesson-waardige regenbui. Deze keer was het een zeer verantwoorde houten speelboot met allerlei vernuftige verdiepinkjes en uiteraard een glijbaan. Oma had haar witte lange broek aan, niet handig. Maar goed, voor kleindochter doe ik alles, zelfs van een miniglijbaan roetsjen in een witte broek. Dan gedraag ik me heel kinderachtig want dan wil ik wel dat ze kijkt als ik naar beneden glijd. Dat compenseert veel.
En ja hoor, wederom een jongetje van een jaar of 4 in de verder lege speeltuin. Hij had het heel druk met heen en weer crossen met z’n fietsje, en toen hij ons in de gaten kreeg, zag hij zijn kans schoon. Zoals kleine jongetjes kunnen doen. Nu was dat niet zo moeilijk tegenover een minimeisje van twee. Dus dat lukte prima. Hij piepte steeds voor haar over de wiebelbrug en de glijbaan. Tot mijn verbazing vond mijn kleindochter dat juist heel erg leuk. Ze werd er door gestimuleerd om ook stoer en snel te doen. Als hij even uit haar gezichtsveld was werd hij rap door haar aangesproken: “kindje, kom”.
Het jongetje was anders dan Freek, stoerder en hij probeerde continu onze aandacht te trekken. Toen ik vroeg hoe hij heette - dat speelt wat makkelijker - zei hij: “Randy”. Ondanks zijn stoerheid was hij heel innemend en een ware gentleman, want hij zorgde er voor dat onze prinses op de wiebelbrug niet te veel hoefde te wiebelen: hij hield de ketting van elke tree stevig vast met een fanatisme, dat ik zijn toekomstige partner nu al benijd om zoveel zorgzaamheid. Echt, zo lief. Hij liet haar voorgaan op de glijbaan of hield de wacht bij het einde. Oma was helemaal overbodig. Maar toen zag ik in de verte letterlijk “de bui hangen”. Snel schuilden we gedrieën onder het dek van de houten boot. “Kom maar hier naast me zitten hoor meisje dan word je niet nat”. Het was allemaal heel knus en ook spannend natuurlijk, zeker voor de kleine meid.
Ik heb maar één wens: dat er maar heel veel Freek’s en Randy’s in het leven van mijn kostbare kleindochter mogen verschijnen. Dan komt het zeker goed met de wereld.

Antoinette Steinman